ONZE VADER , preek over het Gebed des Heren, Moordrecht, Reeuwijk, Gouda 2026
Zusters en broeders.
In elke eucharistieviering bidden wij het Onze Vader. En waarschijnlijk bidt u het ook elke dag thuis. Omdat in Gouda de eerste communicantjes het Onze Vader op papier overhandigd krijgen, wil ik er in deze preek ook voor de ouders over spreken.
Het gebed van Jezus is na de aanroeping in de eerste regel te verdelen in twee stukken. In het eerste stuk gaat de aandacht volledig uit naar God en zijn heilsplan. Het woordje uw krijgt de nadruk. Het tweede stuk van het onze Vader gaat over de menselijke nood. Daar ligt de nadruk op het woordje ons. De mens komt dus ná God, maar hoort er wezenlijk bij.
Het onze Vader begint wel met het woord onze. God heeft zich aan ons gegeven. Maar God is universeel. Hij is niet alleen mijn Vader, Hij is de Vader van alle mensen. De betekent dus dat wij broers en zussen van elkaar zijn. Het onze Vader is niet het gebed van een geïsoleerde gelovige die alleen tot zijn God bidt. Het is het gebed van alle leerlingen samen. Het onze Vader is een familie gebed. Ook als het privé door een enkeling gebeden wordt, dan doet hij dat in verbondenheid met alle andere gelovigen. De medemens mag ons niet onverschillig laten.
Het woordje Vader drukt iets intiems uit. Er staat in het Hebreeuws eigenlijk Abba, papa. Het eerste woordje dat een kind leert.
In het onze Vader nodigt Jezus ons uit om God voortaan op deze kinderlijk intieme wijze aan te spreken. Dat betekent ook dat wij een kinderlijk vertrouwen in God mogen hebben. God is de oorsprong van ons bestaan en het hart van ons bestaan. Hij is geen autoritaire Vader, maar zorgzame en bezorgde Vader.
De zin die in de hemel zijt compenseert een beetje het familiaire Abba. God die onze goede en zorgende Vader is, blijft tegelijk mateloos boven de Mensen en hun wereld verheven. Wij moeten toegeven dat God anders is dan wij ons voorstellen, anders dan de dingen, anders dan wijzelf.
Wij bidden uw rijk kome. Het zijn woorden die op een toekomst gericht zijn. Die toekomst begint nu. God heeft zelf een toekomstdroom voor de mens. Hoe moet die toekomst eruit zien? Wie dat wil weten, moet naar Jezus kijken.
Jezus was zorgend en helpend bij de mensen. Allereerst bij de bedreigde en misdeelde mens. Dat hoorden we in het evangelie vandaag. Zalig de armen van geest, zalig die nu honger lijden, zalig die nu bedroefd zijn. Hij schonk het leven terug aan mensen die geen leven hadden of niet voluit leefden. Gods rijk laten komen is het opheffen van alle onderdrukkende overheersing van de ene mens over de andere.
Dan volgt de bede uw wil geschiede. U wil geschiede betekent dat de heilsdroom van God uitkomt, dat wij Gods rijk gestalte geven. Als Jezus ons vraagt te bidden om het geschieden van Gods wil, dan is het kennelijk mogelijk dat Gods wil niet geschiedt. Gods wil geschiedt niet vanzelf. De vervulling van Gods heilstroom hangt van ons af. God heeft geen andere handen dan de onze. Geen andere ogen en oren, geen andere voeten, geen ander hart dan het onze om zijn liefde in deze wereld te laten groeien. Ik heb laatste spreuk gehoord: God verandert niet de wereld. Gebed verandert niet de wereld. Maar gebed verandert de mens en de mens verandert de wereld.
U wil geschiede. Wij moeten bereid zijn elk moment Gods wil te doen. Direct, totaal en met vreugde. Bij elke keuze in het leven zouden we ons moeten afvragen: “Wat is Gods wil? Wat zou Jezus in mijn plaats doen?”.
Dag Hammersköld, voormalig secretaris van de Verenigde Naties, schreef in zijn dagboek: “Onze Vader, uw naam worde geheiligd, niet mijn naam; uw rijk kome; niet het mijne. Uw wil geschiede niet de mijne”.
Geef ons heden ons dagelijks brood. Deze bede en de twee volgende. vertolken de menselijke noden en kwetsbaarheid. De eerste 3 beden vertolkten Gods belangen. Toch mogen we er geen tegenstelling in zien. “Zoek eerst het Rijk Gods in zijn gerechtigheid en alles zal u erbij gegeven worden, heeft Jezus gezegd. Toch mogen wij onze zorgen voor God uitspreken. Hij heeft er begrip voor. Wij bidden dus allereerst om brood. Met brood wordt alles bedoeld wat nodig is om te bestaan als mens. De mens leeft niet van brood alleen, maar toch ook van vriendschap en vreugde, van vrijheid en recht, van vertrouwen en een zinvolle taak. Het woord brood is dus een symbolisch woord. Het vertegenwoordigt alles wat wij dagelijks broodnodig hebben om te leven.
Moeder Teresa zei eens: “De honger naar brood, naar voedsel is makkelijk te stillen. Je geeft iemand een stuk brood of een bord rijst en de honger is opgelost. Maar de grootste honger in onze wereld is de honger naar liefde. Naar aandacht. En die honger is veel moeilijker te vervullen. De zusters van Moeder Teresa hebben in een kapel een Kruis hangen. En naast het Kruis staat op de muur geschreven: Ik heb dost. De laatste woorden van Jezus aan het Kruis. Zij zien erin zijn verlangen naar onze liefde.
Wij bidden niet ‘geef mij’, maar geef ons ons dagelijks brood. Zoals men bij het aanspreken van Onze hemelse Vader zijn broeders en zusters indachtig moet zijn, zo moet de christen ook in deze bede bedenken dat hij behoort tot 1 grote familie van behoeftigen. De nood van zijn broeder of zuster moet hem voor ogen staan.
Kijken we eens naar onze handen.
Ja, kijk maar. Wat zijn het: grijpende, manipulerende handen of open wegschenkende handen? Een spreuk van de Bond Zonder naam zegt: Wat je weggeeft, verlies je niet. En Jezus heeft gezegd. “Alles wat je prijst geeft omwille van Mij zul je honderdvoudig terugkrijgen”. Wij kunnen niet eensklaps het voedselprobleem van deze wereld oplossen. Maar onze handen moeten doorgeefluiken zijn, geen voorraadschuur.
En zo komen wij bij de diepste kern van deze bede. Wij vragen God steeds te mogen ontvangen wat we nodig hebben, zodat we niet ten koste van andere hoeven te grijpen en te verzamelen, zodat we vrije mensen blijven en anderen van ons kunnen ontvangen wat zij nodig hebben.
Chiara Lubich, stichteres van de Focolarebeweging, heeft ooit gezegd: “onze overvloed, alles wat we zelf niet nodig hebben, is niet ons eigendom. Dat is van God. Dat moeten wij weer weggeven.”
Zij heeft dat zelf meermaals in haar leven ervaren. Een keer kwam een buurvrouw vragen om een ei die zij net tekort kwam om een taart te bakken. Chiara had nog maar 1 ei in huis. Ze gaf die aan de buurvrouw. ’s Middags kwam er iemand langs die vroeg of ze nog een doos met eieren kon gebruiken die hij overhad…..